FAQ


Is dit een peiling?
Nee, voor de analyses op deze website maak ik alleen gebruik van de gegevens van bestaande peilingen voor de Tweede Kamer. Door deze te combineren ontstaat een soort 'samenvatting' van de politieke steun voor partijen in de diverse peilingen.

Wat is het doel van de Peilingwijzer?
Met de Peilingwijzer wordt geprobeerd om op basis van alle beschikbare (Tweede Kamer) peilingen een zo goed mogelijke schatting te maken van de electorale steun voor de Nederlandse politieke partijen. Tussen de verschillende peilingen zitten soms behoorlijke verschillen en er zijn regelmatig tegengestelde ontwikkelingen waar te nemen. De Peilingwijzer is een poging om hier op een verantwoorde wijze chocola van te maken.

Waarom zou ik jouw cijfers wel geloven en die van peiler X niet?
Elke (zetel)peiling is een schatting van de politieke steun van partijen onder de bevolking. We zijn immers niet geïnteresseerd in de mening van de 1000 tot 4000 ondervraagden an sich, maar willen weten hoe de vlag erbij hangt voor de gehele kiesgerechtigde bevolking. Doordat er een steekproef wordt getrokken, hebben alle peilingen een zekere foutmarge. Hoe meer informatie je hebt over de politieke voorkeuren van mensen, hoe beter je beeld wordt van hun werkelijke voorkeuren. Het voordeel van het combineren van informatie is dat je de foutmarge iets kunt beperken. Het antwoord op de vraag is dus niet dat je de cijfers van peiler X niet moet geloven, maar plaats ze wel in de context: het zou raar zijn om de informatie van andere peilers, die precies hetzelfde proberen te meten, te negeren.

Bereken je een gewogen gemiddelde van de laatste drie peilingen?
Nee. Hoewel de methode zich op het meest simpele niveau laat omschrijven als het berekenen van een gewogen gemiddelde, ziet het er onder de motorkap anders uit. Elke analyse (voor elke partij) omvat alle gepubliceerde peilingen van TNS NIPO, I&O Research, De Stemming van EenVandaag, Peil.nl van Maurice de Hond en de Politieke Barometer van Ipsos vanaf de vorige verkiezingen. Op die manier kunnen we namelijk een inschatting maken van de zogenaamde huiseffecten van de peilers: het feit dat sommige peilers een partij structureel hoger (of lager) inschatten dan andere bureaus. De schatting van het meest recente percentage zal verder niet worden beïnvloed door peilingen uit 2012 of 2013, maar wellicht wel (een beetje) door peilingen van een aantal dagen of buiten campagnetijd een of twee weken geleden. 

Voorspelt dit model de uitslag van de verkiezingen?
Nee. Een peiling is een momentopname van de politieke steun voor partijen. Volgende week kan die steun weer heel anders liggen. Vaak zetten trends zich wel door, maar het komt ook regelmatig voor dat de steun voor partijen 3 maanden voor de verkiezingen behoorlijk anders was. In 2010, bijvoorbeeld, deed D66 het drie maanden voor de verkiezingen nog heel erg goed met een piek van zo'n 20 zetels; bij de verkiezingen waren er daar nog 10 van over. De VVD wist zich gedurende deze periode juist naar boven te vechten.

Op de NOS website staat de 'Peilingwijzer van 12 februari', terwijl er op 13 februari al een nieuwe peiling is verschenen! Zijn jullie cijfers wel up-to-date?
Voor de Peilingwijzer zijn een aantal tijdstippen van belang:
  • Laatst bijgewerkt: moment waarop de Peilingwijzer voor het laatst is berekend
  • Publicatiedatum laatste peiling: dag waarop de meest recente peiling is gepubliceerd
  • Veldwerkperiode laatste peiling: dagen waarop de deelnemers aan de meest recente peiling naar hun voorkeur is gevraagd
  • Midden veldwerkperiode laatste peiling: het midden van die periode, eventueel afgerond naar boven
De datum van de Peilingwijzer wordt bepaald door de dag(en) waarop de interviews voor de laatste peilingen zijn verwerkt. Stel, Peil.nl publiceert op 16 februari een peiling, waarvoor de interviews op 14 en 15 februari zijn afgenomen. De Peilingwijzer houdt dan de datum van 15 februari aan (het midden van de zogenoemde 'veldwerkperiode', afgerond naar de meer recente datum). Dat is immers de dag waarop mensen hun electorale voorkeur hebben laten weten. Soms lijkt het dus dat de Peilingwijzer 'oude cijfers' bevat, maar hij wordt minimaal eenmaal per maand bijgewerkt met de nieuwste peilingen.

Corrigeert het model voor het feit dat peilingen vaak geen aselecte steekproef hebben?
Hier wordt rekening mee gehouden in de berekening van de foutmarge van de peiling, met behulp van het zogoemde 'design effect' (vanaf begin 2013). Er wordt vanuit gegaan dat de foutmarge van elke peiling gelijk is aan de foutmarge die je zou verwachten als de peiling een aselecte steekproef was vermenigvuldigd met het design effect (dat wordt geschat in het model). Als het design effect groter is dan 1, dan zijn de geobserveerde foutmarges groter dan je zou verwachten dan bij een aselecte steekproef. Als het design effect kleiner is dan 1 dan zijn de geobserveerde foutmarges juist kleiner dan je zou verwachten dan bijeen aselecte steekproef. Het design effect wordt voor alle peilingen gezamenlijk geschat; door het geringe aantal peilingbureau's in Nederland (en de verschillen in de mate van frequentie van peilen) is het niet mogelijk om een design effect per peiler te schatten. De design effecten verschillen per partij en zijn kleiner voor partijen met een relatief stabiele aanhang, zoals de SGP.

Het feit dat peilingen geen aselecte steekproef hebben, kan ook leiden tot een bias (afwijking) in de schatting. Men kan bijvoorbeeld de steun voor een partij onderschatten omdat Limburgse huisvrouwen of immigranten zijn ondervertegenwoordigd in de steekproef (weging reduceert deze problemen, maar lost ze doorgaans niet geheel op). Voor zover deze effecten structureel zijn, houdt het model hiermee rekening in de schatting van zogenaamde huiseffecten. Maar als alle peilers de steun voor de PVV onderschatten, zoals bij de verkiezingen in 2010 het geval leek te zijn, dan kan ook dit model daarvoor niet corrigeren.

Hoe schat je de score van nieuwe/kleine politieke partijen?
Politieke partijen die nog niet in de Tweede Kamer zitten, zoals de PiratenPartij, worden (nog) niet in elke peiling apart gerapporteerd. Alleen informatie die per partij gespecificeerd is, kan in het model van de Peilingwijzer worden meegenomen, met een restcategorie als 'Overige partijen' kan geen gemiddelde worden berekend (en zeker niet omgezet worden naar zetels). Indien een peiling specifieke informatie verstrekt over het percentage voor een kleinere partij, kan deze worden gebruikt. Bovendien is die informatie soms niet erg nauwkeurig, want gerapporteerd in termen van zetels (en voor een kleine partij is het verschil tussen 0, 1 en 2 zetels best groot; 0 zetels kan betekenen 0,0% van de stemmen, maar ook 0,6%).

Als vuistregel wordt een kleine partij opgenomen in de Peilingwijzer als deze op hetzelfde moment bij twee peilers een zetel haalt in twee opeenvolgende peilingen. Ofwel: als er een kans aanwezig is dat ze op minimaal één zetel staan. Als een partij eenmaal aan dit criterium heeft voldaan, blijf ik deze meenemen tot aan de volgende verkiezingen (tenzij de partij er bijvoorbeeld mee stopt of besluit niet mee te doen).

Wat zijn de 'onzekerheidsmarges'?
De Peilingwijzer is gebaseerd op peilingen, opinieonderzoek onder een steekproef van respondenten. Omdat er een steekproef wordt getrokken, moeten we er rekening mee houden dat er een (beperkt) verschil kan optreden tussen wat we in de peiling vinden en de politieke voorkeuren van de hele populatie (alle kiezers). Deze 'foutmarge' van de peilingen werkt door als je die peilingen samenvoegt. Bovendien vertellen niet alle peilingen altijd precies hetzelfde verhaal; ook dat leidt tot meer onzekerheid over de precieze score van een partij.

De onzekerheidsmarges hebben een boven- en ondergrens. Er is 95% kans dat het echte percentage steun voor een partij binnen deze grenzen valt, als de assumpties van de Peilingwijzer kloppen. Eén van die assumpties is dat de gemiddelde peiler geen structurele afwijking vertoont. Als die assumptie niet klopt, bijvoorbeeld als alle peilers de steun voor de SGP met 5 zetels onderschatten, dan zal ook de Peilingwijzer dat doen. En dan zal ook de onzekerheidsmarge het echte percentage voor de SGP niet omvatten. Dus de hier genoemde onzekerheidsmarge is geldig als aan alle aannames van de Peilingwijzer wordt voldaan.

Technische noot: het gaat hier om Bayesiaanse 'credible intervals', omdat met een Bayesiaans model wordt gewerkt.

Hoe bereken je de onzekerheidsmarges in zetels?
De onzekerheidsmarges in zetels zijn naar boven afgerond. Een voorbeeld: een partij haalt 20 zetels met een onzekerheidsmarge van +/- 1,3%. Dat vertaalt zich in een afwijking van 1,95 zetels. Dat wordt afgerond naar 2. Is de afwijking 1,5%, dan vertaalt dat zich in 2,25, naar boven afgerond 3 zetels. De gerapporteerde marge in zetels is dus ruim genomen. Wie de precieze marge wil weten, kan beter naar de gerapporteerde percentages kijken.

Hoe ga je nu precies om met de verschillende frequentie van de 5 peilingen. Telt ieder nu steeds voor 1/5e mee, maar gebruik je dan steeds de laatste van ieder van de 5?
Nee, de Peilingwijzer gebruikt de op de website beschreven methode om de peilingen tot één inschatting samen te voegen. Kortweg houdt dit in dat elke individuele peiling als een ‘signaal’ wordt gezien over de echte steun voor een politieke partij op dat moment. Dat signaal kan echter ook ruis omvatten. De Peilingwijzer houdt rekening met twee soorten ‘ruis’: toevallige fouten en systematische fouten. Toevallige fouten zijn (in belangrijke mate) het gevolg van het feit dat peilingen op steekproeven gebaseerd zijn en daarom net iets hoger of lager kunnen uitvallen. Elke peiling opnieuw kan hoger of lager uitvallen dan het echte percentage. Structurele fouten kunnen afwijkingen zijn tussen peiling en de echte situatie die het gevolg zijn van methodologische keuzes (dit wordt ook wel vertekening genoemd). Bij structurele peilingen zullen de peilingen van één bureau systematisch een partij hoger of lager inschatten dan peilingen van andere bureaus. De aanname van de Peilingwijzer is dat de gemiddelde peiler goed zit. De huiseffecten worden in het statistisch model geschat.

Dit betekent dat elke losse peiling als een nieuw signaal wordt beschouwd, met een zekere toevallige fout en een zekere structurele fout (‘huiseffect’). De toevallige fout is afhankelijk van de steekproefgrootte, de structurele fout niet. Als een peiler heel vaak peilt met een huiseffect van +1%, dan zal de Peilingwijzer door die peilingen steeds nauwkeuriger worden, maar wel 1% onder het niveau dat de betreffende peiler aangeeft. Een structurele fout los je immers niet op door vaker te peilen.

Welke peilers neem je mee in de Peilingwijzer?
Alle bureaus die op regelmatige basis en op serieuze wijze zetelpeilingen uitvoeren worden meegenomen in de Peilingwijzer. Eenmalige zetelpeilingen nemen we dus niet mee, noch allerlei niet serieus te nemen ‘polls’ op websites waar op geen enkele manier rekening wordt gehouden met de steekproeftrekking en eventuele correcties daarop. Als een peiler minimaal twee peilingen heeft uitgevoerd en de intentie heeft om op regelmatige wijze te blijven peilen, worden de peilingen opgenomen in de Peilingwijzer.

Er zijn natuurlijk aanvullende criteria te bedenken voor opname in de Peilingwijzer. Zo zouden we eisen kunnen stellen aan de steekproeftrekking (of samenstelling van het panel), of daarvoor een weging toe kunnen passen. We zouden eisen kunnen stellen aan de openbaarmaking van methode en data, bijvoorbeeld door te stellen dat een peiler lid moet zijn van beroepsorganisatie MOA. We zouden kunnen eisen dat een peiler al minimaal sinds de vorige verkiezingen aan het peilen is. Of dat ze minimaal één keer in de maand peilen. Er is voor gekozen om dat niet te doen, omdat je al snel vrij arbitraire keuzes aan het maken bent omtrent weging van deze aspecten.

De methode van de Peilingwijzer is daarbij relatief robuust t.a.v. opname van peilers. In 2015 rekende ik uit wat er gebeurt als één peiler niet mee zou tellen bij het berekenen van de huiseffecten (ofwel: de assumptie wordt dan dat alle peilers behalve X gemiddeld goed zitten). De effecten waren maximaal 1 zetel. Als bureau I&O Research weggelaten zou worden, zou de PvdA op dat moment een kleine zetel lager scoren, terwijl de PVV een halve zetel hoger zou scoren. Als we Peil.nl zouden weglaten, zou het CDA juist lager scoren. Voor alle overige partijen waren de effecten kleiner. Ofwel: het maakt niet zo gek veel uit of je een bureau weglaat of niet. Eén peilingsbureau heeft geen doorslaggevende invloed op de Peilingwijzer.

Ook de opname van peilers die minder frequent peilen is geen probleem. Elke peiling is een signaal, dus een peiling die minder frequent verschijnt zal minder vaak invloed op de Peilingwijzer hebben. De enige beperking kan zijn dat de schatting van het huiseffect van een peiler die minder vaak peilt, ook minder precies zal zijn. Maar dat heeft eigenlijk nooit een substantieel effect op de schattingen en foutmarges van de Peilingwijzer.

Mag ik de cijfers van de Peilingwijzer overnemen?
Dat mag, onder bronvermelding "Peilingwijzer, Tom Louwerse, Universiteit Leiden". Daarbij wordt het zeer aangeraden om ook de bron van de cijfers waarop de Peilingwijzer is gebaseerd, te vermelden, bijvoorbeeld: "De Peilingwijzer combineert de peilingen van I&O Research, Ipsos, Kantar Public, Peil.nl en De Stemming/EenVandaag tot één schatting van de politieke krachtsverhoudingen voor de Tweede Kamer." De Peilingwijzer bestaat immers bij de gratie van hun peilingcijfers.

Ik heb een vraag of opmerking!
Op mijn algemene website zijn mijn contactgegevens te vinden.